Onderzoekstechnieken, vervanging van infrastructuur, levensduur van duurzaam beton en hergebruik van constructieve elementen stonden centraal tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van Stubeco, Stutech en Stufib. De zogenoemde Betondriehoek vond op 27 oktober 2026 plaats bij Building Changes in Delft. Vier presentaties belichtten de technische mogelijkheden en uitdagingen bij het beoordelen, behouden en hergebruiken van bestaande constructies.
De presentaties
Presentatie Maarten Swinkels – Nebest
Er zijn verschillende methodes om bestaande constructies te onderzoeken. Maarten Swinkels van Nebest lichtte in zijn presentatie enkele daarvan toe.
Met een betonradar zijn grote oppervlakken in korte tijd in te scannen
Bekend is de betonradar, verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen. Deze techniek bestaat al lang, maar heeft de laatste jaren een flinke ontwikkeling doorgemaakt. Vooral de software is beter geworden. De ligging van de wapening was al goed te bepalen, net als de ligging van leidingen en constructiedikte. Tegenwoordig kun je er ook chlorides, vocht en corrosie mee in kaart brengen en dat over veel grotere oppervlakken. Voor het bepalen van diameters is hij echter nog altijd zeer onbetrouwbaar.
Een andere methode is de Ultrasoon Pulse Echo, die hoogfrequente geluidsgolven uitzendt en de terugkaatsende echo meet. Hiermee zijn betondiktes, holtes en grindnesten goed te onderzoeken. De techniek is onder meer geschikt om niet gevulde voorspankanalen op te sporen.
"Met Muon Flux zijn ook wapeningsdiameters vast te stellen"
Een nieuwe techniek is Muon Flux. Deze methode meet het verschil in concentratie elementaire deeltjes aan weerszijden van een constructie. Resultaten zijn veelbelovend, je kunt als het ware een nauwkeurige röntgenfoto mee maken. Ook wapeningsdiameters zijn ermee vast te stellen. De praktische toepasbaarheid is voorlopig echter gering. Metingen duren lang, soms tot twee weken, en de benodigde apparatuur neemt veel ruimte in beslag. De verwachting is dat dat in de toekomst beter wordt.
Tot slot ging Maarten Swinkels in op het hergebruik van TT-platen. Diverse voorbeelden laten de potentie zien, al moet veel aandacht uitgaan naar het herstel van schades.
Presentatie Remco Mast en Joris Slaghekke (Van Hattum en Blankevoort)
Rijkswaterstaat voert tot 2030 groot onderhoud en vernieuwingen uit aan de A44. Onderdeel van het project is de vervanging van de Kaagbrug en de viaducten Lisserweg, Hoofdvaart en het Spoorwegviaduct, die allemaal in slechte staat verkeerden. Remco Mast van Van Hattum en Blankevoort lichtte de scope, de aanleiding en de uitgangspunten van het project toe. Zijn collega Joris Slaghekke ging nader in op de vervanging van het Lisserwegviaduct.
Lisserwegviaduct vlak voor uitrijden van het bestaande viaduct
Dit viaduct was 90 jaar oud. Het oorspronkelijke idee van Rijkswaterstaat was de aanleg van twee bypasses, waarop een maximale snelheid van 70 km/u zou gelden. Van Hattum en Blankevoort kwam met een alternatief met slechts één bypass, waarop bovendien 90 km/u kon worden gereden. Hierdoor kon het verkeer langer gebruik blijven maken van het bestaande viaduct. Uiteindelijk was slechts een volledige afsluiting van de A44 van 11 dagen nodig. De verkeershinder werd daardoor beperkt: het aantal zogenoemde voertuigverliesuren kon flink worden gereduceerd.
Een belangrijk onderdeel van de oplossing was het realiseren van nieuwe landhoofden onder het bestaande viaduct, terwijl dat viaduct gewoon in bedrijf bleef. Vervolgens werd het oude viaduct uitgeschoven, waarna met prefab liggers snel een nieuw viaduct kon worden gebouwd.
"Een belangrijk onderdeel van de oplossing was het realiseren van nieuwe landhoofden onder het bestaande viaduct"
De uitvoering bleek echter complexer dan vooraf voorzien. Onder meer een bestaande balkconstructie, een damwand en diverse kabels en leidingen zorgden voor obstakels. Ook was de beschikbare werkruimte zeer beperkt.
Daarmee riep het project achteraf de vraag op of de gekozen aanpak optimaal was. De verkeershinder werd weliswaar sterk teruggedrongen, maar voor een relatief eenvoudig viaduct was de uitvoering behoorlijk complex.
Presentatie
Edwin Vermeulen – Cement&BetonCentrum
Om de CO2-uitstoot van beton te verminderen wordt veel aandacht besteed aan het reduceren van klinker in cement. Het is een uitdagende opgave, zo bleek uit de presentatie van Edwin Vermeulen van het Cement&BetonCentrum.
Sterkteontwikkeling van drie mengsels, met en zonder gesimuleerde veroudering
Nederland loopt internationaal immers al voorop met cementsoorten met een laag klinkergehalte, onder meer door het grote marktaandeel van hoogovencement. Bovendien is de beschikbaarheid van hoogovenslak beperkt.
Een veelbelovend alternatief is gecalcineerde klei, een grondstof die ruim beschikbaar is. Het verlagen van het klinkergehalte brengt echter ook risico's met zich mee. Zo kan een langere nabehandeling nodig zijn, kan meer biologische aangroei optreden en kan bij zeer lage klinkergehaltes de porositeit sterk toenemen.
Stutech-studiegroep 72 onderzocht de invloed van lage klinkergehaltes op de technische levensduur van beton. Aanleiding vormden onder meer de aangescherpte eisen aan de milieukostenindicator (MKI). In het onderzoek werden drie betonmengsels vergeleken: een mengsel met portlandkalksteencement (CEM II/A-LL), een mengsel met hoogovencement (CEM III/B) en een innovatief mengsel met 44% gecalcineerde klei, hoogovenslak en slechts 25% klinker.
"De resultaten lieten zien dat het innovatieve mengsel na veroudering op verschillende onderzochte eigenschappen minder goed presteerde"
Belangrijk onderdeel van het onderzoek was de simulatie van 50 jaar veroudering. Voor de levensduur zijn de eigenschappen van beton op hogere leeftijd immers minstens zo relevant als de prestaties na de gebruikelijke 28 dagen.
De resultaten waren opmerkelijk. Ze lieten zien dat het innovatieve mengsel na veroudering op verschillende onderzochte eigenschappen minder goed presteerde, waaronder sterkteontwikkeling, weerstand tegen chloride-indringing en vorst-dooizoutbestandheid.
Veroudering is dus een belangrijk aspect bij het beoordelen van innovatieve betonmengsels. In de huidige richtlijnen wordt het fenomeen niet meegenomen. Nader onderzoek en aanpassing van regelgeving lijken wenselijk.
Presentatie
Presentatie Marcel Vullings – TNO
Naast het slopen of volledig behouden van bestaande gebouwen is er een derde mogelijkheid: het hergebruiken van afzonderlijke constructieve elementen. In het internationale onderzoeksproject ReCreate is onderzocht hoe bestaande prefab-betonelementen veilig en efficiënt kunnen worden gedemonteerd en opnieuw toegepast in gebouwen.
Aan het project namen partijen deel uit Nederland, Finland, Zweden en Duitsland. Nederlandse deelnemers waren TU Eindhoven, VBI, IMd Raadgevende Ingenieurs, Lagemaat, Circular Structural Design en TNO.
Marcel Vullings van TNO lichtte de aanpak en belangrijkste ervaringen toe vanuit het perspectief van de constructeur.
Refurbishen van gebruikte kanaalplaatvloeren uit het Prinsenhofgebouw in Arnhem
Het proces begint met het verzamelen van informatie over de bestaande constructie, gevolgd door een zorgvuldige demontage en onderzoek naar de eigenschappen van de vrijgekomen elementen. De beschikbaarheid van oorspronkelijke ontwerp- en productiedocumenten is daarbij van groot belang.
"De gevelelementen kregen in de nieuwe toepassing zelfs een opwaardering"
In elk deelnemend land zijn pilotprojecten uitgevoerd. In Nederland was dat het Circulair Centrum Nederland in Heerde (CCN), een acht bouwlagen hoog gebouw waar dragende gevelelementen en kanaalplaatvloeren van het Prinsenhofgebouw in Arnhem een tweede leven krijgen. De gevelelementen kregen zelfs een opwaardering: in de nieuwe toepassing worden ze ook gebruikt voor de stabiliteit. Om technische uitdagingen rond maatvoering, toleranties en verbindingen te onderzoeken is een proefopstelling (mock-up) gebouwd.
In het onderzoeksproject is veel kennis opgedaan, onder meer op het gebied van demontage, transport, detaillering, testen en het ontwerp van een nieuwe constructie. Een belangrijke les is dat hergebruik een andere werkwijze vraagt op de bouwplaats.
Presentatie
Hoewel de vier presentaties sterk uiteenlopende onderwerpen behandelden, kwam een gezamenlijke uitdaging naar voren: de noodzaak om nieuwe technieken en duurzamere oplossingen zorgvuldig te beoordelen op hun praktische toepasbaarheid en technische prestaties.
Enquête
Voorafgaand aan de lezingen werd een enquête gehouden over de toekomst van de betonsector. Innovaties in de samenstelling van beton werden het vaakst genoemd (30 keer), gevolgd door vergroening en CO₂-reductie (25 keer). Ook CO₂-opslag, kunstmatige intelligentie en hergebruik werden belangrijk gevonden (elk 15 keer). Tegelijkertijd waarschuwden de deelnemers voor onderschatte uitdagingen, zoals het aantonen van de levensduur en milieuwinst van innovatieve materialen, kennisschaarste en de economische haalbaarheid. Volgens de experts moet toekomstige regelgeving ruimte bieden aan innovatie en circulariteit, zonder concessies aan veiligheid en kwaliteit.
Tekst: Jacques Linssen